Gemiddeld 140 euro per jaar. Zoveel meer gaat een Nederlands huishouden in 2027 waarschijnlijk betalen voor het transport van stroom en gas. Op 7 oktober publiceerde de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de tariefvoorstellen van de regionale netbeheerders voor 2027: circa 89 euro extra voor elektriciteit en 52 euro voor gas, gemiddeld zo’n 20 procent meer. Ter vergelijking: voor 2026 ging het nog om 25 euro per jaar.

Twee dagen later volgde het ontwerpbesluit over tijdsafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers vanaf 2029. En op 14 oktober openden Liander, Enexis en Stedin met GOPACS Auctions een openbare markt waarop bedrijven kunnen bieden op hun vraag naar flexibel vermogen.

Drie losse berichten uit de energiehoek, zou je zeggen, met weinig raakvlak met omgevingsmanagement. Wij zien dat anders. Samen maken ze iets zichtbaar dat tot nu toe grotendeels buiten beeld bleef: de netuitbreiding heeft een prijs, die prijs landt op de energierekening van dezelfde mensen die naast het nieuwe station wonen, en de manier waarop het net wordt gebruikt wordt zelf onderdeel van de oplossing. Dat verandert het gesprek dat omgevingsmanagers en netbeheerders met de omgeving voeren.

Wat er precies stijgt, en waarom

De verschillen tussen netbeheerders zijn groot. Volgens een overzicht van Keuze.nl op basis van de voorstellen stijgen de totale netbeheerkosten voor een standaardaansluiting bij Stedin met ruim 163 euro (22 procent), bij Liander met 134 euro (18 procent) en bij Enexis met 122 euro (16 procent). Bij Coteq en Westland blijft de stijging beperkt tot respectievelijk 58 en 11 euro.

De ACM noemt twee oorzaken. Bij elektriciteit zijn het de investeringen in het overvolle net: nieuwe kabels, transformatorhuisjes en hoogspanningsstations. Bij gas is het omgekeerde aan de hand: het gebruik daalt, zodat de vaste kosten van het gasnet over steeds minder aansluitingen worden verdeeld. Enexis wijst daarnaast op hogere kosten van TenneT voor het landelijke transport, die doorwerken in de regionale tarieven. De ACM benadrukt dat zij erop toeziet dat netbeheerders alleen efficiënte kosten vergoed krijgen. Belanghebbenden kunnen tot en met 21 oktober reageren; eind november volgt het besluit.

Belangrijk voor de duiding: dit is geen eenmalige piek. De investeringsplannen van de netbeheerders lopen tot ver na 2030 door, en de kosten daarvan worden over tientallen jaren via de tarieven terugverdiend. Wie nu een station of tracé voorbereidt, bouwt mee aan de tarieven van de komende decennia.

Van nut en noodzaak naar wie betaalt

In de omgevingsaanpak van netprojecten draaide het gesprek tot nu toe vooral om locatie en hinder. Waarom hier, waarom zo groot, waarom niet ondergronds, wat merk ik tijdens de bouw. De kosten bleven abstract: het net werd betaald door “de netbeheerder”, en de netbeheerder is een bedrijf.

Die abstractie houdt geen stand als de jaarafrekening met 20 procent omhoog gaat en de netbeheerder in de toelichting zelf schrijft dat dit komt door de nieuwe stations. Wij verwachten dat dit in informatieavonden en zienswijzen terugkomt, in twee varianten. De eerste: “Ik betaal voor dit station en krijg er alleen overlast van.” De tweede, subtieler: “Als het zo duur is, waarom kiest u dan voor deze variant en niet voor de goedkopere?” Of juist omgekeerd: “Waarom niet ondergronds, ik betaal toch al mee.”

Beide vragen zijn legitiem, en ze vragen om een antwoord dat netbeheerders nu vaak niet paraat hebben. Bij de variantenafweging hoort daarom voortaan ook een uitleg die een bewoner kan volgen: wat kost deze keuze, hoe wordt dat verdeeld, en waarom is dit de verantwoorde variant. Dat is geen financieel detail, het is onderdeel van de legitimiteit van het besluit. De Raad van State liet bij WarmtelinQ al zien dat een navolgbare variantenafweging de beste verdediging is; die navolgbaarheid moet nu ook de kostenkant omvatten.

Tijdsafhankelijke tarieven: de bewoner als deel van het net

Het tweede bericht gaat verder dan de hoogte van de rekening. Vanaf 1 januari 2029 wordt 67 procent van het transporttarief voor huishoudens en kleine bedrijven afhankelijk van hoeveel en wanneer iemand stroom gebruikt; 33 procent blijft vast. In het ontwerpbesluit is de winteravond tussen 18.00 en 22.00 uur het duurste moment, terwijl het transport op zomermiddagen tussen 11.00 en 17.00 uur niets kost. De netbeheerders verwachten dat de piek bij huishoudens daardoor met ongeveer 10 procent daalt, genoeg om zo’n 700.000 extra woningen aan te sluiten zonder directe netverzwaring. Ze zeggen er zelf bij dat dit effect moeilijk te voorspellen en niet te meten is.

Voor het omgevingswerk heeft dit twee kanten. De positieve: er ontstaat een concreet handelingsperspectief. Tot nu toe kon een bewoner in een wijk met netcongestie weinig anders doen dan wachten. Straks levert het verschuiven van laden, wassen of verwarmen direct iets op, voor de eigen portemonnee en voor de ruimte in het net. Dat geeft netbeheerders en gemeenten een gespreksonderwerp waarin de bewoner niet alleen ontvanger van overlast is, maar ook bijdrager aan de oplossing.

De andere kant is de verdeling. Volgens de ACM gaat 53 tot 64 procent van de kleinverbruikers erop vooruit, vooral kleinere woningen en appartementen. Een vrijstaande woning met warmtepomp en elektrische auto kan er volgens de toelichting 300 tot 450 euro per jaar op achteruitgaan, ook als de bewoners hun verbruik aanpassen. Juist de huishoudens die de afgelopen jaren in de energietransitie hebben geïnvesteerd, krijgen dus de hogere rekening. De ACM stelt dat een warmtepomp nog steeds voordeliger is dan een cv-ketel, maar de besparing wordt kleiner. Voor gemeenten die wijken van het gas af willen halen, is dat een boodschap die ze in hun eigen communicatie moeten meenemen. Wie zegt “stap over, het loont” zonder dit te vermelden, verspeelt vertrouwen.

Flexibiliteit als alternatief voor beton

Het derde bericht laat zien waar de netbeheerders de oplossing ook zoeken. Op GOPACS Auctions zetten Liander, Enexis en Stedin hun vraag naar flexibel vermogen voortaan openbaar en per regio uit. Bij de start ging het om 496 megawatt. Aanbieders van congestiediensten, die namens grote bedrijven flexibiliteit leveren, kunnen bieden met hoeveel vermogen ze kunnen schakelen en tegen welke vergoeding. TenneT sluit later aan. Ondertussen wachten ruim 15.500 bedrijven en instellingen op een aansluiting.

Flexibiliteit is goedkoper en sneller dan een nieuw station, maar het is geen vervanging. Het rekt de capaciteit op tot de verzwaring er is, en soms stelt het die verzwaring uit. Voor de omgeving heeft dat gevolgen die nog weinig aandacht krijgen. Een batterij of een schakelbare installatie op een bedrijventerrein is ook een fysiek object met geluid, brandveiligheidsvragen en een plek in het omgevingsplan. En als flexibiliteit een geplande uitbreiding uitstelt, verandert de planning die eerder aan de omgeving is gecommuniceerd. Dat vraagt om dezelfde zorgvuldigheid als elk ander uitstel van een project.

Wat dit vraagt van netbeheerders en omgevingsmanagers

De drie ontwikkelingen samen maken van het elektriciteitsnet een onderwerp waar burgers op drie manieren mee te maken krijgen: als buur van een station, als betaler van de rekening en als gebruiker die zijn gedrag kan aanpassen. Tot nu toe werden die drie rollen in gescheiden kanalen bediend. De projectorganisatie praat over het station, de afdeling tarieven over de rekening, en de communicatie over slim gebruik loopt via landelijke campagnes.

Wij denken dat dit onderscheid niet houdbaar is. Een bewoner die op een informatieavond over een nieuw middenspanningsstation zit, heeft die week ook de brief over de hogere netbeheerkosten gelezen. Wie dan alleen over het ontwerp van de gevel wil praten, mist het gesprek dat er werkelijk speelt. Concreet betekent dit:

  • Neem de kostenkant op in de variantenafweging en in de communicatie erover. Niet tot op de euro per huishouden, wel zo dat de keuze voor een duurdere of goedkopere variant uitlegbaar is.
  • Wees eerlijk over de verdeling. Niet iedereen gaat erop vooruit door tijdsafhankelijke tarieven. Wie dat verzwijgt, krijgt het later terug als verwijt.
  • Gebruik het handelingsperspectief. Tijdsafhankelijke tarieven en lokale flexibiliteit geven bewoners en bedrijven in congestiegebieden iets te doen. Dat is waardevoller dan nog een uitleg over de wachtlijst.
  • Behandel flexibiliteit als omgevingsopgave. Batterijen en schakelbare installaties hebben een fysieke voetafdruk, en flexcontracten kunnen de planning van een verzwaring verschuiven. Beide horen in het omgevingsmanagementplan.

Conclusie

De netuitbreiding was altijd al duur, maar de rekening bleef op afstand. Met de tariefvoorstellen voor 2027 wordt die rekening zichtbaar op het niveau van het huishouden, en met de tijdsafhankelijke tarieven en de flexmarkt wordt het gebruik van het net een gedeelde verantwoordelijkheid. Dat maakt het gesprek met de omgeving niet eenvoudiger, maar wel eerlijker. Netbeheerders die de kosten en de verdeling ervan zelf op tafel leggen, voordat bewoners erom vragen, houden de regie over dat gesprek. Wie wacht tot de vraag op een informatieavond wordt gesteld, moet zich verdedigen in plaats van uitleggen.

Bronnen