Naar aanleiding van de COB Tunneldag 2026

Op 5 februari jl. vond in het ECC in Leiden de COB Tunneldag 2026 plaats — het jaarlijkse trefpunt van de Nederlandse tunnelcommunity. Naast de lancering van het nieuwe tunnelprogramma 2026–2031 met ontwikkellijnen als Instandhouding, Renovatie, Nieuwbouw, Civiel & Wetenschap en Duurzaamheid, was er opvallend veel aandacht voor een thema dat traditioneel niet tot het domein van tunnelbouwers behoort: de energietransitie. TenneT, de landelijke hoogspanningsnetbeheerder, was nadrukkelijk aanwezig om lessen te leren van de tunnelbouwsector. Niet verwonderlijk, want de netbeheerder staat voor een van zijn meest complexe uitdagingen: het aanleggen van een 380 kV-hoogspanningsverbinding onder de Westerschelde. Een project waarvoor de expertise van tunnelbouwers onmisbaar is — en waarvoor de tunnelsector op haar beurt een geheel nieuwe type opdrachtgever ziet opkomen.

Dit artikel verkent de technische haalbaarheid van een kabel- en leidingentunnel onder de Westerschelde, de opties voor het dwarsprofiel en de aanlandingsmogelijkheden.

De energietransitie stelt Zeeland voor een bijzondere infrastructurele uitdaging. Om de industrie in de Zeeuws-Vlaamse kanaalzone te verduurzamen, is een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Zuid-Beveland en Terneuzen noodzakelijk. Die verbinding moet de Westerschelde kruisen — een estuarium met sterke stromingen, een dynamische bodem en intensief scheepvaartverkeer. Tegelijk groeit de behoefte aan ondergronds transport van waterstof, ammoniak en CO₂ voor de industrieclusters rond North Sea Port. De vraag dringt zich op: is een kabel- en leidingentunnel onder de Westerschelde haalbaar?

Waarom een tunnel?

De Westerschelde is op zijn smalst bij Ellewoutsdijk zo’n zeven kilometer breed. Het water bereikt diepten tot 50 meter in de Pas van Terneuzen, met een uiterst dynamische zeebodem die over perioden van enkele decennia metershoge variaties in bodemligging laat zien. Kabels direct in de rivierbodem leggen is daarom riskant: ze kunnen door erosie bloot komen te liggen of door sedimentatie onbereikbaar worden voor onderhoud.

Een bovengrondse kruising met hoogspanningsmasten zou masten van circa 220 meter hoogte vereisen om de scheepvaart te kunnen laten passeren. Ter vergelijking: dat is ruim twee keer de hoogte van de Lange Jan in Middelburg. Zowel de gemeente Borsele als de gemeente Terneuzen hebben zich uitgesproken tegen bovengrondse kruisingsopties. Ook Rijkswaterstaat en het Loodswezen hebben bezwaren geuit vanwege de effecten op de scheepvaartveiligheid.

Een tunnel biedt een aantrekkelijk alternatief: geen visuele impact op het landschap, geen belemmering van de scheepvaart, bescherming van de kabels en leidingen tegen externe invloeden, en — mits goed ontworpen — de mogelijkheid om meerdere modaliteiten te bundelen.

Het MUK-onderzoek: lessen uit de haalbaarheidsanalyse

In 2023 publiceerden de ministeries van EZK en I&W een uitgebreid technisch haalbaarheidsonderzoek naar een Multi-Utiliteitenkruising (MUK) onder de Westerschelde. Het idee was ambitieus: één tunnel waarin zowel een 380 kV-hoogspanningsverbinding als buisleidingen voor ammoniak, waterstof en CO₂ zouden worden gebundeld.

De conclusie was helder: die combinatie is geen optie. De onderzoeken naar warmteontwikkeling, elektromagnetische compatibiliteit (EMC), arboveiligheid en externe veiligheid lieten zien dat het samenvoegen van hoogspanningskabels met buisleidingen voor gevaarlijke stoffen in één tunnelbuis te veel conflicterende veiligheidseisen oplevert.

Specifiek bleken de volgende knelpunten bepalend:

Warmteontwikkeling. Hoogspanningskabels van 380 kV genereren aanzienlijke warmte. In een afgesloten tunnelomgeving is de afvoer van deze warmte kritisch. Wanneer de omgevingstemperatuur in de tunnel te hoog oploopt, daalt het transportvermogen van de kabels en ontstaan risico’s voor nabijgelegen buisleidingen met brandbare of toxische stoffen.

Elektromagnetische straling. De sterke elektromagnetische velden rond 380 kV-kabels kunnen interfereren met besturingssystemen en meetapparatuur van buisleidingen. Afscherming is mogelijk, maar vereist substantiële extra constructieve voorzieningen die de tunneldoorsnede en kosten significant vergroten.

Externe veiligheid. Het combineren van een elektriciteitsbron (met brandrisico bij kabelstoringen) met leidingen voor ammoniak (zeer giftig) of waterstof (zeer brandbaar en explosief) creëert escalatiescenario’s die moeilijk beheersbaar zijn in een afgesloten tunnelomgeving. De vluchtwegen en interventiemogelijkheden zijn beperkt.

Arboveiligheid. Onderhoud aan hoogspanningskabels vereist andere veiligheidszones en protocollen dan onderhoud aan buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het gelijktijdig werken in dezelfde tunnelruimte is vanuit Arbo-wetgeving uiterst complex.

Het MUK-onderzoek leidde tot een belangrijke koerswijziging: verdere verkenning richt zich op gescheiden tunnels — één of meerdere buizen uitsluitend voor hoogspanning, en een aparte tunneloptie voor het bundelen van buisleidingen.

Opties voor het dwarsprofiel

Het dwarsprofiel van een kabel- en leidingentunnel wordt bepaald door de functie, de bouwmethode en de veiligheidseisen. Er zijn grofweg drie hoofdvarianten denkbaar.

Geboorde tunnel met cirkelvormig profiel. Dit is de meest voor de hand liggende optie, gezien de Zeeuwse ervaring met de bestaande Westerscheldetunnel. Een tunnelboormachine (TBM) produceert een cirkelvormige buis die wordt bekleed met prefab betonnen segmenten. De bestaande verkeerstunnel heeft een inwendige diameter van circa 11 meter. Een kabeltunnel zou aanzienlijk kleiner kunnen: voor een 380 kV-verbinding met twee circuits is een inwendige diameter van 4 tot 6 meter realistisch, afhankelijk van de ventilatievoorzieningen en onderhoudstoegang. Het cirkelvormige profiel is constructief efficiënt onder de hoge waterdrukken die op 50 meter diepte optreden, en de boortechniek is beproefd in de Zeeuwse ondergrond van zand en klei.

Afgezonken tunnel met rechthoekig profiel. Bij deze methode worden tunnelelementen in een droogdok gebouwd, naar de locatie gevaren en afgezonken in een vooraf gebaggerde sleuf. Het rechthoekige dwarsprofiel biedt meer nuttige ruimte per vierkante meter buitenafmeting en maakt een logische indeling in compartimenten mogelijk — bijvoorbeeld een apart kabelcompartiment en een leidingcompartiment met een scheidingswand ertussen. De uitdaging bij de Westerschelde is echter de grote waterdiepte en de sterke stroming. Toen in de jaren ‘70 een afgezonken tunnel voor de verkeersverbinding werd overwogen, bleek de onderspoelmethode op deze locatie niet toepasbaar. De dynamische bodem vormt bovendien een risico voor de bodembedekking van afgezonken elementen.

Horizontaal gestuurde boring (HDD) of microtunneling. Voor individuele kabels of kleinere buisleidingen kan een horizontaal gestuurde boring worden overwogen. Hierbij wordt vanaf een startschacht een boring gemaakt onder de Westerschelde door, waarna de kabel of leiding in het boorgat wordt getrokken. De maximale diameter bij HDD-technieken bedraagt circa 1,5 meter; bij microtunneling is dit tot 3,5 meter. Het voordeel is dat er geen grote startschachten of tunnelboormachines nodig zijn, maar het nadeel is dat elke leiding of kabelgroep een aparte boring vereist, de onderhoudbaarheid beperkt is en de lengte van de crossing de technische grenzen van HDD kan benaderen.

Voor een toekomstbestendige oplossing die ruimte biedt aan meerdere systemen en toegankelijk is voor onderhoud, lijkt een geboorde tunnel met een diameter van 5 tot 7 meter de meest veelbelovende optie. Binnen een dergelijk profiel kan een interne indeling worden gemaakt met kabelrekken, leidingconsoles en een vrije doorloophoogte van minimaal 2 meter voor onderhoudspersoneel — vergelijkbaar met de kabelkoker van de Rotterdamsebaan in Den Haag.

Aanlandingsopties

De keuze voor het aanlandingspunt wordt bepaald door de breedte van de Westerschelde (die de tunnellengte bepaalt), de aansluitmogelijkheden op het bestaande of toekomstige netwerk, de bodemgesteldheid en de ruimte voor een start- of ontvangstschacht.

Noordzijde: Ellewoutsdijk – Borssele. Het smalste punt van de Westerschelde, ter hoogte van Ellewoutsdijk, is de logische kandidaat voor de noordelijke aanlanding. Hier bedraagt de kruisingsafstand circa 7 kilometer. In de directe omgeving ligt het bestaande 380 kV-tracé tussen Borssele en Rilland, wat een korte bovengrondse of ondergrondse aansluiting mogelijk maakt. Het nadeel is de relatief krappe polderruimte voor een startschacht en de nabijheid van de Westerscheldedijk, wat geotechnische uitdagingen oplevert bij het ontgraven van de schacht.

Noordzijde: Hoedekenskerke – Baarland. Iets verder naar het oosten biedt de oever bij Hoedekenskerke meer ruimte, maar de kruisingsafstand neemt toe tot circa 8 à 9 kilometer. De aansluiting op het hoogspanningsnet vereist een langer landtracé. Deze optie zou in beeld kunnen komen als het 380 kV-tracé op Zuid-Beveland meer oostelijk wordt aangetakt.

Zuidzijde: Terneuzen – Mosselbanken. Het nieuwe 380/150 kV-hoogspanningsstation komt waarschijnlijk in de omgeving van Terneuzen. De polder De Mosselbanken, nabij Dow Chemical, is een van de voorkeurslocaties. Een aanlanding in deze zone sluit direct aan op het nieuwe station. De bodemgesteldheid in het Kanaal van Gent naar Terneuzen-gebied is goed gedocumenteerd vanwege eerdere grote bouwprojecten.

Zuidzijde: Paulinapolder. De gemeente Terneuzen heeft een voorkeur uitgesproken voor aanlanding bij de Mosselbanken met een mogelijke uitloop naar de Paulinapolder. Dit gebied biedt meer ruimte en bevindt zich verder van bewoond gebied, maar vraagt een langer tracé naar het hoogspanningsstation.

De optimale combinatie lijkt een tunnel tussen Ellewoutsdijk en de Mosselbanken/Paulinapolder: de kortste wateroversteek gecombineerd met directe aansluiting op zowel het bestaande 380 kV-net aan de noordzijde als het nieuwe hoogspanningsstation aan de zuidzijde.

Kosten en planning

De kostenramingen uit het MUK-onderzoek gaven inzicht in de ordegrootte. Er werden drie varianten geraamd: een tweetunnelvariant (gescheiden buizen voor hoogspanning en buisleidingen), een drietunnelvariant en een variant met alleen buisleidingen. De kosten voor een geboorde kabeltunnel onder de Westerschelde lopen al snel in de honderden miljoenen tot meer dan een miljard euro, afhankelijk van het aantal buizen, de diameter en de complexiteit van de aanlandingsconstructies.

TenneT verwacht in 2026 een voorkeursbesluit over de kruisingsmethode en het tracé. De verbinding zou in 2034 gereed moeten zijn. Gegeven de doorlooptijd van vergunningprocedures, milieueffectrapportages en de daadwerkelijke constructie, is dat een ambitieuze maar niet onmogelijke planning — mits de besluitvorming niet verder vertraagt.

Vergelijking met andere tunnelprojecten

Nederland heeft relevante ervaring met vergelijkbare projecten. De bestaande Westerscheldetunnel (6,6 km, twee buizen, diameter 11 m) bewees dat boren in de complexe Zeeuwse ondergrond mogelijk is, zij het met de nodige technische uitdagingen — het diepste punt lag 60 meter onder het waterniveau. Voor de Waddenzee wordt een tunnel van 27 kilometer onderzocht voor de aanlanding van kabels en waterstofleidingen vanuit offshore windparken. En de Rotterdamsebaan in Den Haag toonde aan dat een geïntegreerde kabelkoker in een tunnel goed functioneert voor het beschermen en onderhouden van kabels en leidingen.

TenneT en de tunnelsector: een nieuw partnerschap

De aanwezigheid van TenneT op de COB Tunneldag onderstreept een belangrijke verschuiving. De energietransitie dwingt netbeheerders om buiten hun traditionele expertise te treden. Het aanleggen van bovengrondse hoogspanningsmasten is core business voor TenneT — het bouwen van tunnels niet. Tegelijkertijd heeft de Nederlandse tunnelsector decennia aan ervaring opgebouwd met precies het type projecten dat nu nodig is: geboorde tunnels in zachte grond onder diep water, in een complexe omgeving met strenge veiligheidseisen.

Het COB-netwerk biedt hiervoor een ideaal platform. Met het nieuwe tunnelprogramma 2026–2031 wordt expliciet ingezet op nieuwbouw en kennisdeling, inclusief het actief betrekken van nieuwe typen opdrachtgevers. De ontwikkellijn Nieuwbouw richt zich op kennisopbouw voor tunnels die nog gebouwd moeten worden — en een kabeltunnel onder de Westerschelde is daar bij uitstek een voorbeeld van. Voor tunnelbouwers is het een kans om hun expertise in te zetten voor de energietransitie. Voor TenneT is het een kans om te leren van een sector die weet hoe je veilig en betrouwbaar bouwt op 50 meter onder de zeespiegel.

Conclusie: gescheiden maar gebundeld

De vraag is niet óf er een tunnel onder de Westerschelde komt, maar hoeveel en voor welke functie. Het MUK-onderzoek maakte duidelijk dat de droom van één alles-in-een-tunnel is gestrand op veiligheidsoverwegingen. Maar het concept van gescheiden tunnels — elk geoptimaliseerd voor hun specifieke functie — biedt wel degelijk perspectief.

Voor de 380 kV-verbinding lijkt een geboorde tunnel met een diameter van 5 tot 6 meter technisch haalbaar. Voor de buisleidinginfrastructuur (waterstof, CO₂, mogelijk ammoniak) kan een tweede, separate tunnel worden overwogen. De aanlandingslocaties rond Ellewoutsdijk en de Mosselbanken/Paulinapolder vormen de meest logische combinatie.

De energietransitie in Zeeland wacht niet. Met de industrieclusters in de kanaalzone die dringend meer elektrisch vermogen nodig hebben, de groeiende waterstofeconomie en de verduurzaming van North Sea Port, is een toekomstbestendige kruising van de Westerschelde een van de meest urgente infrastructuurprojecten van Nederland. De technische haalbaarheid is er — nu is het aan de bestuurlijke moed om knopen door te hakken.


Innovom B.V. adviseert over omgevingsmanagement bij complexe infrastructuurprojecten. Neem contact op voor meer informatie over onze diensten.