Tijdens de Dijkwerkersdag op 2 april 2026 in ‘s-Hertogenbosch werd het nieuwe HWBP Projectenboek 2026 gepresenteerd. De boodschap was tegelijk hoopvol en ongemakkelijk: vanaf dit jaar moet het Hoogwaterbeschermingsprogramma structureel meer dan vijftig kilometer dijk per jaar versterken, terwijl de afgelopen jaren het tempo achterbleef. 1.400 kilometer primaire waterkering en 400 kunstwerken staan op de rol. De technische opgave is groot, maar iedereen die op het podium stond, kwam uiteindelijk uit bij hetzelfde punt: de echte bottleneck zit niet in het beton, maar in de omgeving.

Het HWBP werkt al enkele jaren met een raamwerk van “zeven dilemma’s van de dijkwerker” — een reeks spanningsvelden waarin omgevingsmanagers bij vrijwel elk dijkversterkingsproject terechtkomen. Op de Dijkwerkersdag werden die dilemma’s opnieuw gewogen tegen de realiteit van 2026: een versneld tempo, gespannen grondmarkt, toegenomen weerstand tegen grote ruimtelijke ingrepen, en een waterschap dat tegelijk uitvoerder én buur is van bewoners die er soms al vier generaties wonen.

Hieronder zeven lessen die voor omgevingsmanagers bij elk dijkversterkingsproject relevant zijn — en die de komende jaren bepalend worden voor de vraag of het HWBP zijn ambitie haalt.

1. Begin met luisteren, niet met uitleggen

De natuurlijke reflex van een technisch team dat een dijk heeft doorgerekend, is om het ontwerp zo snel mogelijk bij de omgeving te presenteren. Dat voelt voor het projectteam als transparant handelen. Voor bewoners voelt het als een voldongen feit. Bij de Lauwersmeerdijk-Vierhuizergat, de IJsselmeerdijk en de Grebbedijk is telkens gebleken dat de eerste paar gesprekken niet over oplossingen moeten gaan, maar over zorgen, geschiedenis en gebruik. Wat betekent deze dijk voor mensen? Waar wandelen ze? Waar zit het verhaal van de watersnood nog in de familie?

Omgevingsmanagers die deze fase overslaan, betalen dat later terug met formele bezwaren en verharde posities. De tijdwinst aan de voorkant is bijna altijd een illusie.

2. Maak de onzekerheid expliciet — ook als die ongemakkelijk is

Dijkversterking is ontwerpen met onzekerheden: de ondergrond blijkt anders, nieuwe normen komen eraan, de zeespiegelstijging wordt periodiek bijgesteld. De klassieke fout is om die onzekerheid intern te houden “tot we het zeker weten”. Dat moment komt nooit. Bewoners die later horen dat iets al eerder bekend was, voelen zich misleid — ook als het projectteam het zelf pas een paar weken wist.

De beste projecten binnen het HWBP communiceren onzekerheid proactief: “Dit weten we nu, dit onderzoeken we nog, dit kan betekenen dat het ontwerp op punt X verandert.” Dat is lastig, maar het bouwt vertrouwen op dat later cruciaal blijkt.

3. Meekoppelkansen zijn geen gratis geluk

Dijkversterking biedt vaak de kans om tegelijk natuur te ontwikkelen, een fietspad aan te leggen, een uitzichtpunt te maken of een erfgoedelement te herstellen. Die meekoppelkansen zijn politiek aantrekkelijk en vergroten het draagvlak. Maar ze maken het project ook complexer, duurder en kwetsbaarder voor vertraging.

De les van de afgelopen HWBP-projecten: kies meekoppelkansen bewust, met een duidelijk eigenaarschap en een aparte financieringsstroom. Een meekoppelkans zonder eigenaar wordt een projectrisico. Een meekoppelkans zonder aparte financiering wordt een bezuinigingspost zodra de kosten stijgen — en dan is het vertrouwen dat eromheen is opgebouwd binnen één bestuurlijke beslissing weg.

4. Grondverwerving is omgevingsmanagement, geen juridische procedure

In veel waterschappen is grondverwerving historisch een aparte kolom: een grondzakenteam dat met taxateurs en rentmeesters werkt, los van het omgevingsteam. Op de Dijkwerkersdag werd die scheiding hardop ter discussie gesteld. Voor een agrariër of een bewoner is het gesprek over een paar meter grond nooit alleen een zakelijke transactie — het is een gesprek over identiteit, nalatenschap en vertrouwen in de overheid.

De waterschappen die hun grondverwerving integreren met omgevingsmanagement, zien minder onteigeningsprocedures, kortere doorlooptijden en — misschien nog belangrijker — een bestuurlijke omgeving die na het project intact blijft.

5. Versnelling mag geen codewoord zijn voor minder participatie

Het HWBP moet vanaf 2026 aantoonbaar versnellen. Dat is een politieke realiteit. Maar versnelling betekent niet hetzelfde als “minder met bewoners praten”. De ervaring binnen het programma laat zien dat versnelling vooral zit in betere interne processen, parallel werken in plaats van serieel, en eerder starten met omgevingsanalyse — niet in het inkorten van inspraakrondes.

Een bezwaarprocedure bij de Raad van State kost gemiddeld anderhalf jaar. Eén verloren beroep eet alle tijdwinst van een ingekorte participatieronde meerdere malen op. Omgevingsmanagers moeten dit argument in de projectboard blijven maken.

6. Zorg voor één gezicht naar buiten, ook als er intern veel partijen zijn

Een dijkversterkingsproject heeft al snel vijf tot tien formele partijen aan boord: waterschap, HWBP-programma, provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat, natuurorganisaties, soms een aannemer in een vroege markttoets. Voor een bewoner is dat niet te volgen — en elke tegenstrijdige boodschap ondermijnt het draagvlak.

De les: wijs één omgevingsmanager aan die het enige loket is, en zorg dat alle partijen dezelfde kernboodschappen gebruiken. Dat klinkt triviaal, maar in de praktijk lekken projecten voortdurend via losse mails van individuele bestuurders of via uitspraken van aannemers in lokale media. Discipline in de externe communicatie is geen bureaucratie — het is het enige wat voorkomt dat een goed project door ruis wordt afgeschoten.

7. Evalueer ook wanneer het goed ging — en deel het

De zevende les is misschien de belangrijkste, en degene die het HWBP zelf op de Dijkwerkersdag het meest benadrukte: lessen moeten rondgaan tussen waterschappen. Te vaak worden evaluaties geschreven als een project tegenviel, en stilgehouden als het goed ging. Daardoor wordt succes niet gedeeld en herhalen andere projecten dezelfde fouten.

Het Projectenboek 2026 bevat voor het eerst een uitgebreidere sectie met praktijkervaringen uit afgeronde projecten — van de Markermeerdijken tot de Grebbedijk. Dat is een stap in de goede richting. De volgende stap is dat omgevingsmanagers structureel tijd krijgen om bij elkaar over de schouder mee te kijken, en dat dit geen luxe is maar een voorwaarde voor het halen van de programma-ambitie.

Tot slot

De dijkwerker van 2026 staat voor een dubbele opgave: sneller bouwen dan ooit, in een samenleving die mondiger en wantrouwender is dan ooit. Dat lijkt een paradox, maar op de Dijkwerkersdag werd hij steeds opnieuw als hetzelfde antwoord geformuleerd: versnelling is geen technisch vraagstuk maar een omgevingsvraagstuk. Waterschappen die dat erkennen en hun omgevingsmanagement serieus investeren, halen het tempo. Waterschappen die hopen dat de omgeving vanzelf meegaat, lopen vast in bezwaarprocedures.

Voor omgevingsmanagers in het HWBP is de boodschap van 2026 simpel: de zeven dilemma’s verdwijnen niet. Ze worden alleen zichtbaarder onder druk. Wie ze herkent, benoemt en er professioneel mee omgaat, maakt het verschil tussen een dijk die op tijd klaar is en een dijk die jaren vastzit in een procedure.

Bronnen